Religie en samenleving

Uit:Het Financiële dagblad 2 februari 2016

De vraag: hoe staat religie tegenover de rechtsstaat?  

door: Eduard van Holst Pellekaan

Religie kwam het afgelopen jaar met stip terug in het hart van de samenleving, al was dat niet als bron van barmhartigheid. Vier kerkleiders in gesprek over de hernieuwde rol van geloof in Nederland. ‘Zijn we een team, of zijn we verdeeld?’

Fotografie: Marte Visser

Ik sprak’, zegt imam Mohammed Cheppih, ‘dit jaar een salafistische jongeman die lang in de gevangenis had gezeten voor radicalisering en terrorisme. Ik vroeg hem mij te vertellen wat de kalief van IS het recht gaf zo te handelen. “Overtuig me van je religieuze perspectief”, zei ik. We hadden een interessant gesprek dat drie uur duurde. Uiteindelijk begreep hij dat zijn visie niet het juiste fundament heeft. Zo voer ik veel gesprekken in mijn gemeenschap. Wat wil ik hiermee zeggen? Als je je niet eerst openstelt en het gesprek aangaat, kom je niet verder. Ik pleit voor een inclusieve aanpak. Voor niemand uitsluiten. Binnen de islam niet, en daarbuiten niet.’

De toon is gezet. Een bisschop, een rabbijn, een dominee en een imam zitten bijeen in een koopmanshuis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Het pand stamt uit de Gouden Eeuw, toen Amsterdam het centrum van de wereld was, dankzij het samengaan van koopmansgeest en tolerantie. Wat indertijd elders in Europa ondenkbaar was, kon hier wel: katholieken, protestanten en joden woonden vreedzaam samen, wat de basis legde voor welvaart. Nederlanders kunnen ook nu nog geïnspireerd raken door die multiculturaliteit en -religiositeit.

Opperrabbijn Binyomin Jacobs  

Binyomin Jacobs Rabbijn

‘Ik ben van de ophaal-bruggen’

Opperrabbijn Binyomin Jacobs is de vertrouwensman en raadsheer voor vele gelovige en niet-gelovige joden. Tot zijn pensioen was hij ook hoofd geestelijke verzorging in het Sinai Centrum voor psychotrauma’s. Hij is klein van stuk, snel en temperamentvol. Zijn motto: frapper toujours.

Jacobs: ‘Het is van vitaal belang dat er bruggen zijn: ik ben van de ophaalbruggen. Ik leef in de multiculturele samenleving liefst met iedereen, maar er zijn ook momenten dat we de brug moeten ophalen. Dan wordt de brug een grens.’

Zijn managementstijl hangt af van de situatie, zegt hij. In het ziekenhuis heerst een duidelijke hiërarchie. ‘Ik moest ethische en joodse regels bewaken. Dan is een bepaald overwicht van belang.’ In het Interprovinciaal Opperrabbinaat stelt hij zich minder op als hoofd. ‘Ik geef zo breed mogelijk ruimte aan persoonlijke invulling. Men moet niet van mij afhankelijk zijn.’

Jacobs noemt zichzelf ‘zorgzaam en een beetje autoritair. Dat laatste ben ik niet van nature, maar het was nodig. Ik ben altijd in pak: ook op vakantie. Eén verkeerd woord en het wordt een rel. Ik moet zorgvuldig omgaan met wat ik zeg. Ook een beetje afstand houden. Zo werkt dat.’

De sfeer aan tafel is ontspannen. De vier mannen zijn in elkaar geïnteresseerd, hebben respect voor elkaar: ook als ze het oneens zijn. Er moet gepolderd worden. Tegelijk zijn ze op hun hoede. Ze willen in deze barre tijden een statement maken. Maar ze moeten ook rekening houden met hun achterban.

‘IS is een kleine groep van geperverteerde machtswellustelingen die religie gebruikt als camouflage. Onze religies worden gekaapt’, stelt de Syrische aartsbisschop Polycarpus.

De andere drie knikken instemmend. Ze zien zichzelf als de hoeders van de rechtzinnigheid, de traditie en het fundament. Van wat religie écht is. Waarin centraal staat dat je je bekommert om je medemens. Dat humanitaire principe delen de religies en moet vluchtelingen die hier komen zo snel mogelijk duidelijk worden gemaakt, stelt opperrabbijn Binyomin Jacobs: ‘Een gevluchte Syriër vertelde mij dat hij was opgegroeid met het idee dat je joden moet verdelgen. Hij wist niet of het mensen, dieren of dingen waren. Daar kan hij niets aan doen: zo is hij opgevoed. Veel vluchtelingen zijn opgevoed met haat tegen joden. We moeten ze opvangen, onderdak bieden en voeden. Natuurlijk! Maar we moeten hen ook direct bijbrengen dat dit een multiculturele samenleving is.’

Plaisier: ‘De spelregels moeten duidelijk zijn. Ik vind het een slecht signaal als we in azc’s mensen van elkaar scheiden omdat er spanningen zijn tussen moslims, christenen en homo’s. Dat staat haaks op waar we voor staan.’

Jacobs: ‘Ja, dan laat je zien dat je het niet bij elkaar krijgt. Aan de andere kant: je hebt te maken met mensen die veel hebben geleden. Die ook tijd en ruimte nodig hebben. Moet je dan zo’n christen of homo nog meer laten lijden?’

Plaisier (stellig): ‘Het COA moet er maar voor zorgen dat die discriminatie gewoon niet gebeurt.’

Jacobs: ‘Hm, ja. Oké.’

‘Veel vluchtelingen zijn opgevoed met haat tegen joden. We moeten ze opvangen. Maar we moeten hen ook bijbrengen dat dit een multiculturele samenleving is.’

Opperrabijn Binyomin Jacobs 

Polycarpus vertelt dat hij onlangs geloofsgenoten bezocht in een azc. Althans: de drie mannen moesten naar buiten sluipen om daarna met de bisschop naar een kerk te rijden. Binnen het azc houden de mannen hun geloof geheim uit angst voor sommige islamitische bewoners. ‘Dat is wrang’, constateert Polycarpus. ‘Ze zijn juist de geloofsvervolging ontvlucht. Er zijn meer incidenten. We verzamelen ze en maken ze aanhangig bij de autoriteiten.’

Mohammed Cheppih Imam Mohammed Cheppih

‘Veel imams zijn alleen zenders’

Van 1992 tot 2010 was niemand zo intensief bezig met het oprichten van de Nederlandse islam als Mohammed Cheppih (1977). Toen ‘zijn’ Poldermoskee in Amsterdam-West vijf jaar geleden moest sluiten vanwege geldproblemen, werd hij internationaal actief als adviseur, coach en docent in de islamitische wereld. Hij ontwikkelde een leiderschapsmodel op basis van de inzichten van John Adair, Michael Hartmann en de profeet Mohammed. Nu richt hij zijn aandacht weer op Nederland. De islamitische gemeenschap heeft volgens hem leiderschap en instituten nodig.

‘De gemiddelde Nederlandse imam is een spreekbuis van het moskeebestuur dat hem betaalt. Kenmerk van een leider is dat je datgene wat je preekt in je persoonlijke leven in praktijk brengt. Dat lukt hier niet. Waarom? De meeste imams zijn er niet voor opgeleid. Ze begrijpen hun leiderschap niet. Ze zenden alleen maar.’

‘Ik preek in klassiek Arabisch, Marokkaans voor ouderen en Nederlands voor jongeren. Iedereen moet zich aangesproken weten. Ik ben kritisch, stel vragen en houd, ook mezelf, een spiegel voor. Ik bespreek drugs, diefstal: ik loop nergens voor weg. Ik wil mensen hun zelfwaarde laten ontdekken. Religie is mijn basis, al van jongs af. Het bepaalt mijn identiteit, maakt me bewuster, rechtvaardiger. Als je de islam in zijn puurste vorm snapt, dan vind je geen betere leidraad voor het leven.’

Jacobs: ‘Het is heel belangrijk dat we de tolerantie van ons land gezamenlijk uitdragen. Beter dan wanneer we los van elkaar zo’n statement maken.’

Zo ontstaat aan tafel het idee om gevieren azc’s te gaan bezoeken.

Jacobs: ‘Niet om te preken! Maar we kunnen praatjes maken, belangstelling tonen. Het gaat om het samen daarnaartoe gaan. Dat we laten zien dat we in dit land samen optrekken. Dat is een belangrijke boodschap. Een krachtig beeld!’

Ze besluiten het COA te benaderen met hun voorstel. Een roadshow van strenggeestelijke leiders langs azc’s, om de Nederlandse tolerantie te promoten. De vier raken enthousiast.

Cheppih wil doorpakken. Hoe kan dat gezamenlijke optrekken verder gestalte krijgen? ‘Er is nu discussie over het verbieden van salafisten. Ik vind dat gevaarlijk. Zijn deze orthodoxen anders dan orthodoxen in andere religies? Nee! Ze zijn even ongevaarlijk als orthodoxe christenen in Staphorst. Op deze manier komt de godsdienstvrijheid in het gedrang: de vrijheid om je geloof te praktiseren zolang je binnen de grenzen van de wet blijft. Ik vind dat we, zoals we hier bijeen zitten, moeten zeggen: wacht even, dit gaat over onze rechten, blijf daar van af. Maar zo’n statement mis ik. Ik voel me alleen staan. Niet geaccepteerd.’

Jacobs: ‘Wat zou je willen?’

Cheppih: ‘Dat wij uitspreken dat we niet tolereren dat wij als religieuzen worden gediscrimineerd omdat we er anders uitzien of anders denken. Zijn we een team, of zijn we verdeeld? We moeten de rijen sluiten. We hebben wel dialoog, maar het ontbreekt aan implementatie op straatniveau.’

Polycarpus kijkt in het luchtledige. Jacobs leunt naar achteren. Plaisier kromt de rug. Er valt een stilte.

Dan komt de bisschop met een anekdote. Over hoe hij elf jaar geleden een gestrand Marokkaans stel ergens in de VS uit de brand hielp. Hij wil maar zeggen: de gevoelens van mens tot mens kunnen de verschillen in religie overstijgen.

De afleidingsmanoeuvre werkt. De oproep van Cheppih is geneutraliseerd. Het is voor de anderen een brug te ver.

‘Ik proef onder moslims steeds meer dat ze het zat zijn. Ik kan me voorstellen dat de spanningen uitmonden in een clash tussen moslims en niet-moslims.’

Imam Mohammed Chappih 

Later in het gesprek zegt Plaisier iets dat zijn terughoudendheid, en waarschijnlijk die van de anderen, verklaart: ‘De islam kleeft nu aan dat er gruweldaden worden begaan in naam van het geloof. Dat moet aan de kaak worden gesteld en daar zal de moslimgemeenschap in voorop moeten lopen, zoals christenen hun eigen extremisme onder ogen hebben moeten zien. Je moet in de spiegel kijken en zeggen: dit kan niet. Dus: hoe verhoud je je als religie tot de democratische rechtsstaat? Dat is de hamvraag. De islam komt uit een andere wereld, waarin een andere verhouding bestaat tussen moskee en staat. Ze zal zich moeten instellen op leven in de democratische rechtsstaat. Dat is iets waar anderen zich niet te hard mee moeten bemoeien. De moslimgemeenschap lijkt me volwassen genoeg om daar zelf een weg in te vinden.’

PolycarpusPolycarpus Aartbisschop Syrisch-orthodox bisdom Nederland

‘Nederland is voor ons een zegen’

Acht jaar geleden kwam Augin Aydin naar Nederland om als aartsbisschop Polycarpus het Nederlandse bisdom te leiden. Wereldwijd zijn er een half miljoen Syrisch-orthodoxen, waarvan er zo’n 300.000 buiten Syrië wonen. De kerk ontstond in het grensgebied van Turkije, Iran, Irak en Syrië en gaat terug tot de eerste christelijke gemeenschap die in 37 n.Chr. werd gesticht. ‘Voor ons is onze religieuze identiteit belangrijker dan onze nationale identiteit’, zegt de bisschop.

Een groot deel van zijn werk bestaat uit hulp aan gevluchte geloofsgenoten. ‘We helpen met kleding, voedsel, geestelijke zorg, formaliteiten en het vinden van familie en vrienden. Velen van ons kwamen hier als vluchteling.’

Polycarpus gaat altijd gekleed in zwarte toga met rode band, daaroverheen een forse ketting, en een monnikskap op het rossige haar. Hij spreekt zacht en langzaam. Elke zin lijkt het resultaat van reflectie. Alles aan deze man is gedragen. Hij lijkt buiten de tijd te staan. Je kunt met je zorgen altijd bij me terecht, lijkt hij te zeggen.

‘Nederland is voor ons een zegen. Het klimaat mag seculier zijn, de wortels zijn herkenbaar christelijk. In het Midden-Oosten worden we vervolgd, hier kunnen we vrij ons geloof belijden. Wij voelen ons hier veilig, gelukkig en dankbaar. Nu we hier zijn, zullen we werken voor het welzijn van dit land.’

Kortom: stel eerst intern orde op zaken voor we verder samenwerken.

Jacobs komt terug op Cheppihs oproep: ‘We moeten ook rekening houden met onze eigen kritische achterban. Ik mag persoonlijk ruimer denken, maar ik moet als leider respecteren wat er leeft. Dat geldt voor ons allemaal.’

Cheppih: ‘Maar bent u ook bereid een beetje te stretchen?’

Jacobs: ‘Ik ben zeer flexibel, mijn vrouw zegt dat ook altijd.’

Er wordt opgelucht gelachen.

Cheppih: ‘Ja, haha, maar echt?’

Jacobs: ‘Natuurlijk. Het feit alleen al dat ik hier zit — ik weet zeker dat ik hier veel commentaar op ga krijgen. En dat geldt voor ieder van ons.’

Plaisier: ‘Het is belangrijk om als leider stappen te nemen. Maar dat heeft alleen zin als je achterban dit ook echt begrijpt, achter je staat en met je meegaat.’

Jacobs sluit het af: ‘De stretch is voor elk van ons anders. Het is niet goed om op elkaar druk uit te oefenen.’

De gezamenlijke verklaring komt er niet.

Gemakkelijker vinden de heren elkaar als het gaat om opvoeding en onderwijs. Die horen nauw samen te hangen, maar doen dat allang niet meer.

Plaisier: ‘Ik wil niet beweren dat vroeger alles beter was. Individuele vrijheid is belangrijk. Maar ik betreur de tendens dat het gezin niet meer de plek is waar verhalen worden verteld, waar het leven wordt doorgegeven. Ouders besteden de opvoeding uit, terwijl dit de basis vormt van onze samenleving. De school, de opvang, de kinderpsycholoog en de iPad moeten het doen. De focus ligt op de carrière, het “eigen” leven.’

Jacobs: ‘Scholen nemen die opvoedende taak niet over. Die verworden tot kennisoverdrachtsinstituten. Kinderen presteren goed als ze hoge cijfers halen voor parate kennis. Maar de mens is niet alleen een kennisapparaat. We hebben ook emoties, en hoe gaan daarmee om? Dat wordt niet geleerd. Zo krijg je mensen die gewapend zijn met kennis, maar niet kunnen omgaan met het leven. Het leven is een product geworden.’

De werkelijkheid is positief. We zullen de uitdagingen aangaan en met elkaar een nog betere maatschappij opbouwen.’

De Syrisch-orthodoxe aartsbisschop Polycarpus 

Met verbazing lazen ze het advies van het platform Onderwijs2032. Daarin is levensbeschouwing gereduceerd tot maatschappelijke vorming en burgerschap. Nuttig, maar ook plichtmatig. Het verhaal ontbreekt, het beklijft niet. Ze besluiten hierover gezamenlijk een brief te schrijven aan de minister.

Cheppih: ‘Als ik me laat inspireren door de islam, dan zijn het de ouders die primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding. Er zijn nu te veel externe factoren die onze kinderen vormen.’

Arjan PlaisirArjan Plaisier  Sinds 2008 scriba (secretaris) van de Protestantse Kerk in Nederland

‘Mensen mogen weer geloven’

Hoe geef je weer elan aan een organisatie die jaar in jaar uit krimpt? Dat is de uitdaging. ‘Je gaat terug naar het begin’, zegt Arjan Plaisier. ‘Niet vanuit een nostalgisch verlangen, maar omdat je opnieuw wilt aansluiten bij de ontvlammende kern van die beginperiode. Wat maakte dat we toen als kerk begonnen? Wat was die aandrift? Dat verbind je met je eigen innerlijke overtuiging. Daarvoor is hartstocht nodig. Anders verflauwt je leiderschap. Je moet profiel houden, wetende dat niet iedereen het hiermee eens gaat zijn. Je gaat het gesprek aan, stuurt bij, verdiept, maar houdt vast aan je koers.’

De secularisatie leidde bij de protestante kerk tot onzekerheid en identiteitsverlies, stelt Plaisier. ‘Heel gezond, hoor, want we moesten afkicken van die zelfingenomen mannenbroederscultuur. Maar uiteindelijk moet je opstaan en je kaarten op tafel leggen. De wereld vraagt niet meer: hoe kun je het bewijzen? Maar: wat betekent het voor je? Wat heb je eraan? In deze nieuwe, pluriforme wereld mogen wij er weer zijn: zelfbewust en wel.’

Plaisier accepteert dat zijn kerk krimpt. ‘Geeft niet. Laat het gewoon weer vrolijk zijn in de kerk. Sta voor je geloof en straal dat uit in woord en daad. Ik merk dat mensen daarop zaten te wachten. “Hè hè: we mogen weer geloven; we mogen weer tevoorschijn komen”. Die cultuuromslag is nu in volle gang.’

Plaisier: ‘Precies. Ik zie hier de waarde van religieuze gemeenschappen. Je kunt putten uit morele bronnen, uit een verhaal. Ook in moeilijke tijden is er hoop om te handelen.’

Het tijdperk van het hyperindividualisme lijkt voorbij. De verzorgingsstaat zakt door de hoeven, in Den Haag is de participatiesamenleving bedacht. Gemeenschapszin is geen vies woord meer. Het komt de religieuze gemeenschappen met hun omzien naar elkaar, rituelen en vrijwilligerswerk bekend voor. ‘Dat kopje koffie met de eenzame buurvrouw. Ja, zo gaat dat’, zegt Plaisier met iets van wrangheid in zijn stem. Maar goed, ze zullen hun trouwe plicht weer doen.

Het gesprek loopt ten einde. Hoe zien de heren de toekomst? Ze gaan samen de tolerantie promoten met een tocht langs de azc’s. Maar verder? Jacobs houdt zich nooit bezig met de toekomst, zegt hij. ‘Mijn opdracht is om een lichtje in de duisternis te zijn. We moeten gewoon doen wat we kunnen. Elke dag weer.’

Cheppih is pessimistisch: ‘De weerstand tegen alles wat met islam te maken heeft, lijkt met de dag te groeien. Uit ervaring weet ik dat onder zeventig procent van de beleidsmakers het gedachtegoed van Wilders gemeengoed is. Ik mis de tegenkrachten die er tien jaar geleden nog wel waren. Ik proef onder moslims steeds meer dat mensen het zat zijn. Ik kan me voorstellen dat de spanningen uitmonden in een “culture clash” tussen moslims en niet-moslims.’

En de bisschop? Polycarpus sluit even de ogen: ‘We leven in een tijd waarin we steeds meer multicultureel en multireligieus worden. En er is angst. Voor verandering, voor wat we niet kennen. Uit dit proces zal een nieuwe samenleving voortkomen. Zo ging het in het verleden, zo gaat het nu. We hebben de neiging vroeger te zien als de gouden eeuwen waarin het allemaal beter was. Maar laat ons realistisch zijn: economisch zijn we zeer ver ontwikkeld. We zijn gezonder,leven langer en meer in vrede dan vroeger. De werkelijkheid is positief. We zullen de uitdagingen aangaan en met elkaar een nog betere maatschappij bouwen.’

‘De islam komt uit een andere wereld, met een andere verhouding tussen moskee en staat. Ze zal zich moeten instellen op leven in de democratische rechtsstaat.

Scriba Arjan Plaisier van de Protestantse Kerk in Nederland